in de nasleep van het huwelijk
de ringen glimmen als handboeien voor dwergen
na het altaar reist het konvooi naar de feestzaal
waar de kelner de dorst moet bijbenen
en de bruidegom dwangmatig glundert
hij vraagt applaus voor het pronkstuk
drie verdiepen room, glazuur en chocolade
bekroond met een koppel marsepeinen duiven
waar de bruid met brede grijns het mes in zet
een zomerhit uit vervlogen jaren opent een slome dans
ze ontwijkt zijn voetveeg en bewaart het evenwicht
als de roes de remmen breekt, begint het gelal
tot de praalwagen in de late uren
de laan uit rijdt, een toekomst tegemoet
vol gedeelde afwas, gekibbel over de thermostaat
de wedijver om de afstandsbediening